Een vriend van me begon een blog rond de vraag of een nul-groei binnen ons huidig economisch stelsel een mogelijkheid vormt. Hij wil onderzoeken of de veronderstelde wetmatigheid dat bedrijven of landen economisch MOETEN groeien ook werkelijk een noodzakelijkheid is om ze 'economisch gezond' te laten zijn.
Nu ben ik natuurlijk geen econoom maar wel een theoloog. Theologen leven echter niet eenzaam en alleen op een verlaten eiland of in een zweverig en mythisch Shangri-la. Zij staan net als anderen in de maatschappij. Toegegeven, economie behoort niet tot hun expertiseveld maar vanuit hun eigen expertise kunnen zij misschien wel een nieuwe dimensie in sommige maatschappelijk debatten binnen brengen. Eenvoudiger gezegd: men moet er een discussie natuurlijk nooit mee blokkeren, maar het kan geen kwaad van er af en toe God eens bij te betrekken. Om me dan expliciet als theoloog in dit economische debat te mengen, begin ik misschien best bij de initiële vraag want iemand die vooral de spirituele dimensie van het bestaan probeert te doorgronden stelt zich normaal gezien reeds vragen bij de vraagstelling.
Wanneer ik lees dat heel wat mensen er van uitgaan dat een economie MOET groeien, dan denk ik toch stilletjes dat we ondanks zo'n drieduizend (of meer) jaren Hindoeïsme blijkbaar een heel evidente waarheid nog steeds niet hebben geleerd. Want, of we nu Hindoe zijn of niet, één van de boodschappen die het Hindoeïsme reeds eeuwen verkondigt, zou ondertussen ook voor ons gemeengoed zijn geworden: 'Alles komt en gaat'.
Volgens de Hindoe kosmologie kent het universum een cyclisch patroon waarin het steeds opnieuw wordt gecreëerd en verwoest. Sommige Vedische teksten beschrijven dat Brahma de godheid is die daarvoor instaat. Brahma zelf leeft zo'n honderd jaar – maar dan wel jaren die bestaan uit Brahma-dagen en Brahma-dagen nemen 4 miljard mensenjaren in beslag. In zo één Brahma-dag creëert Brahma telkens 14 Manu's. Die manu's regelen het bestaan van de wereld en het universum. Wanneer een Manu sterft, wordt de volgende gecreëerd, en wanneer de laatste sterft, vergaat ook het universum. Na zo'n uitputtende Brahma-dag komt er een rustgevende Brahma-nacht die opnieuw zo'n 4 miljard jaar in beslag neemt. De volgende morgen begint Brahma gewoon aan een nieuwe dag en dus ook aan een nieuwe reeks Manu's met een bijhorend universum. Na 100 Brahma-jaren (dat is zo'n 311 biljoen 40 miljard mensenjaren) sterft ook Brahma en volgen er 100 Brahma-jaren leegte. Daarna ontstaat een nieuwe Brahma en begint alles opnieuw.
Het wordt nogal groots en bombastisch voorgesteld, maar het schuift uiteindelijk een kleine en eenvoudige waarheid naar voor: indien zelfs alle eeuwig lijkende goden zullen komen en gaan, hoeveel te meer zal alles binnen de wereld dan wel niet verdwijnen? De onvatbare getallen tonen hoezeer de wereld een bijna onzichtbaar speldekopje is in de geschiedenis van de vele universa en dus geen enkele eeuwigheidswaarde kan worden toegekend. Zo beschrijven de Hindoes op een mythologisch-kosmologische manier wat eigenlijk voor alles in de wereld geldt: het ontstaat en vergaat.
Wie niet begrijpt dat werkelijk alles een tijd van groeien en een tijd van verwelken kent, die vertoont een absoluut gebrek aan voeling met de stroom van het leven. Zowel planten, mensen, ideeën, economieën, staten als gehele maatschappijen, ze komen en gaan allemaal. Het idee dat heel wat economen blijkbaar met zich mee brengen – d.w.z. het idee dat economie constant MOET groeien – rammelt dan ook langs alle spirituele kanten. Het is helemaal niet een kwestie van moeten. Het is een kwestie van heel eenvoudig vaststellen dat dat gewoon NIET ZAL gebeuren. Alles zal gaan net zoals het kwam, en dat geldt eveneens voor rijkdom en machtsverhoudingen – ook de kapitalistische.
De echte vraagstelling lijkt me dus niet "is een nul-groei in de economie mogelijk?" maar wel: "Hoe zal onze economie er mee omgaan wanneer niet alleen nul-groei maar ook afname zich voordoen?"
Het is natuurlijk wat moeilijk voor westerse economen om in dergelijke termen te denken. Misschien is het wel zo dat het lineaire alfa- en omegadenken van het Christendom daar voor iets tussen zit. In het Oosten neemt men het komen en gaan, de eeuwige golven van het bestaan en het principe van circulariteit iets meer als basispremisse. In het Westen leeft men wat meer het idee van een groei naar een finaal en gelukzalig eindpunt – naar een soort 'Godsbelofte' dus.
Maar laten we de onderliggende gedachtegangen in onze economie nu ook niet zonder meer toeschrijven aan zoiets vaag als 'de Christelijke cultuur', want indien het godsbeeld van het Christendom er al voor iets tussen zit, dan moet ik er meteen ook op wijzen, dat het dan wel om een enorm verdraaid godsbeeld betreft. Wanneer men van de christelijke Godsbelofte een economische noodzakelijkheid maakt, dan gaat men behoorlijk kort door de bocht.
Je kan economen natuurlijk moeilijk theologische fouten verwijten. Daarom is het misschien goed even wat spirituele verduidelijking te scheppen rond die Christelijke finaliteitsgedacht: het vredevolle omega waar het Christendom over spreekt is er niet één van oneindige expansie 'tot iedereen alle luxe heeft', maar wel een punt waarop de samenleving in staat zal zijn om op de gepaste wijze om te gaan om met het onvermijdelijke komen en gaan der dingen. Het omega is er één van Liefde, Waarheid en Rechtvaardigheid, niet van blijvende economische groei en vervulling van eenieders eigenbelang.
Sommige economen lijken soms te vergeten dat economie in functie staat van een vredevolle maatschappij. Sommigen lijken het immers om te keren en de samenleving in functie van hun 'economie' (lees: rijkdom) te plaatsen. Uiteraard komen ze zo tot het idee dat de economie en welvaart (lees: de luxe) MOET groeien. Maar goeien moeten we alleen richting Liefde, Waarheid en Rechtvaardigheid.
Laten we het dan maar in alle spirituele eerlijkheid duidelijk stellen: Een economie MOET helemaal niet steeds groeien. Ze is zelfs gedoemd om, net zoals alles in de wereld, te stagneren en te krimpen. De vraag is niet hoe we onze economie in stand kunnen houden of hoe we ze 'anders' kunnen maken zodat we onze huidige levensstijl zo goed mogelijk kunnen blijven bewaren. De vraag is hoe we met de veranderingen, die zich in de wereld onvermijdelijk aandienen, zo liefdevol en rechtvaardig mogelijk kunnen omgaan en welk soort economie daarbij aansluit.
Mijn vriend is gelukkig niet het soort econoom die doel en middel met elkaar verwart. Vandaar dat zijn blog niet blijft steken op het theoretische niveau vanuit de vraag "is een nul-economie mogelijk?" maar zich vooral op het praktische richt door zich af te vragen "hoe zou zo'n nul-economie er dan uitzien?". Heel terecht wijst hij er in zijn blog op dat vele anti-globalisten terechte kritiek uiten op het huidige economische systeem, maar dat zij ook zelden tot nooit een echt alternatief aandragen. Om niet in dezelfde val te stappen, en de vraag naar de praktijk niet uit de weg te gaan, formuleerde ik ook daarop een antwoord. Ik vertrek daarbij vanuit Gandhiaanse principes. Ik plaatste dit antwoord echter enkel op de bewuste blog omdat het de thematiek van mijn eigen blog enigzins overschrijdt. Klik hier om deze verdere uitwerking te lezen.