Eén
van mijn favoriete passages in het Nieuwe Testament is het moment
waarop Jezus na veertig dagen te hebben gevast in de woestijn de duivel
ontmoet en hij op de proef wordt gesteld. Drie vragen worden hem door
de Duivel voorgelegd. Uiteindelijk belooft de Duivel hem zelfs de
heerschappij over de wereld, indien Jezus in aanbidding voor hem
neervalt. Maar Jezus antwoordt: “Ga weg, satan. Want
er staat geschreven: De Heer uw God zult u aanbidden en Hem alleen
dienen.”
Wie of wat is de duivel? Uiteraard geen demon op bokkepoten, met een
puntstaart en een zwaveladem. Neen, de duivel staat hier symbool voor
de verleiding die we allemaal kennen: de begeerte om de grootste en de
beste te zijn en de goesting om zoveel mogelijk te bezitten. Jezus
geeft echter niet toe aan die gehechtheden. Hij kiest om voor God te
leven en niet voor zichzelf – niet voor eigenbelang, niet
voor status en niet voor macht. Dat dit verhaal in de
evangeliën steeds verbonden wordt met het begin van Jezus'
publieke leven is uiteraard geen
toeval. Het gaat hier immers om de initiële ego-afbraak van
waaruit een werkelijk spiritueel leven vertrekt. Het gaat om het opzij
zetten van egoïsme en egocentrisme om zich vrij te kunnen
maken voor God.
Een evidente vraag dringt zich dus op: Hoe doet
men dat nu, die ego-afbraak? Of misschien beter: Hoe ont-doet
men zich van egoïsme en egocentrisme?